Column van de week

Waanzin

Schrijfwedstrijd Boekenweek 2015

Ze keek hem in zijn ogen. Lege, grote ogen. Haar mond opende zich om iets te zeggen; haar lichaam maakte zich op voor een schreeuw. Een lege schreeuw. Zonder betekenis, maar vol emotie. Hij liet haar achter. Alleen, koud, kil. En in zijn ogen gaf niets blijk van enige vorm van compassie. Geen haat. Geen verdriet. Niets.
Maar haar schreeuw kwam niet. Geen zuchtje lucht. Alleen een open mond en een lichaam dat schreeuwde om een uiting van gevoel. In haar hart een ijzig gevoel van onmacht. De haartjes op haar armen fier omhoog. Haar neusvleugels trillend uit onvermogen. Bij hem geen beweging. Hij keek terug, maar leek niets te zien. Een lege blik. Lichaamstaal zonder betekenis. Geen emotie. Niets.

Minutenlang stond ze voor hem, knielde dan neer, liet haar hoofd hangen en daar kwamen de tranen. Tranen van verdriet, tranen van woede. Ze mompelde, prevelde voor zich uit, keek naar hem op, sloeg haar hand voor haar halfopen mond en keek snel weer neer. Haar ogen sloten zich, tranen drupten als eenzame getuigen op de grond voor haar. De antracietgrijze tegels vingen haar verdriet en de voegen zogen haar tranen op. Haar verdriet zat nu ook in het huis. Hun huis. Ooit een mooie droom, maar al tijden zonder ziel. Het huis was leeg. Bewoond. Maar leeg.


Als in slowmotion stond ze op, keerde zich van hem weg, keek bij het weglopen nog over haar schouder, zag hem, bewegingloos, en liep door naar de keuken. Ze schrok van het geluid van stromend water bij het opendraaien van de kraan. Het glas liep snel over, maar ze deed de kraan niet uit. In plaats daarvan sloot ze haar ogen en luisterde naar het stromende geluid. Het gaf haar een kalm gevoel. Berusting. Het was goed zo. Haar tranen droogden op, terwijl ze langzaam nipte van het water.


Door het raam zag ze haar buurman die met een overvolle boodschappenkar zijn huis probeerde te bereiken; de kar draaide steeds weg op de stoep die iets afliep, waardoor hij met een rood hoofd telkens weer moest corrigeren. Ze grinnikte iets. Herkenning van het probleem.

De buurman groette een langsjoggende buurvrouw. Hij keek haar vervolgens na met een afkeurende blik en zocht gehaast in zijn jaszakken naar zijn sleutels. Linkerzak, rechterzak, broekzakken. Toen ving zijn blik zijn sleutelbos die aan de kar hing. Een zucht. Chagrijnige blik. Een kleine grijns. Loskoppelen van de sleutels en naar binnen, de overvolle kar onhandig achter zich aan trekkend de hal in. Het waarom ontging haar volkomen. Wat een gedoe.

De langsjoggende buurvrouw keerde alweer terug. Haar gezicht was bedekt met zweetdruppeltjes en haar blanke huid zag zo rood als een kreeft. Ze liep moeilijk, een hand in haar zij, zo te zien tegen de steken. Geen conditie. De conclusie was keihard. Er was nog genoeg werk aan de winkel zo net na het begin van een nieuw jaar. Het zou haar beste voornemen wel zijn.

De chaos in de straat werd groter toen een vuilniswagen tussen het parkerend publiek achteruit de ondergrondse containers probeerde te bereiken. Haar gedachten maalden verder. De situatie waarin ze terecht was gekomen, was niet houdbaar. Actie was nodig.

Een blik in de woonkamer toonde haar het stilleven van haar man. Vriend, eigenlijk; ze waren nooit getrouwd. Hadden ze dat wel gedaan, dan was het misschien anders gelopen. Vanaf het begin was hij tegen een huwelijk geweest. De laatste twee jaar had hij haar aan het lijntje gehouden. Misschien, was nu steevast zijn antwoord als ze er weer over begon. Zo blij als ze bij zijn eerste ’misschien’ geweest was, zo sceptisch stond ze de laatste tijd tegenover een zoveelste poging om haar vragen af te wenden.

Het maakte haar gek van binnen; ze wist dat hij van haar hield, maar juist dit gunde hij haar niet. Ze wilde alles voor hem doen. Het was niet genoeg. Liefde verklaar je niet met een handtekening, vond hij.

Toen hij de laatste tijd steeds vaker over moest werken, begon voor haar een periode van onzekerheid. Als ze er naar vroeg, ging hij in de tegenaanval. Hij wilde van haar weten wat zij vond dat hij verborg. Het eindigde altijd met de dreigende woorden of juist zij misschien iets te verbergen had.

Ze gaf het op. De discussies dan. Want haar strijd woedde onverminderd voort. Toen het praten ophield, voerde ze haar eigen strijd van binnen. Iedere keer zocht ze stiekem naar bewijs dat de wildste verhalen zou staven. En iedere keer vond ze wel iets. De afstand tussen hen werd groter en groter, tot het moment dat ze een drastisch besluit nam.

Een triomfantelijke blik verscheen in haar ogen, terwijl ze zag hoe de vuilniswagen eindelijk weer wegreed en de wachtende rij auto’s een parkeerplek kon zoeken. Haar plan had gewerkt. Bingo. Het enige dat ze nodig had gehad, was een pistool. Om daar aan te komen, was geen kunst. Het moment uitzoeken voor het ultieme gesprek, was lastiger.

En toen was hij daar ineens, overdag, thuis. Ze voelde dat dit het moment was. Boven pakte ze haar wapen en verstopte het in haar laars. ”We moeten praten,” was het enige dat hij had gezegd. Ze barstte los. En of ze moesten praten. Waarom hij thuis was overdag. Had haar niet verwacht zeker. Kwam zijn spullen zeker halen. Ging bij haar weg en trok in bij een ander. Was wellicht toch homo. Kon niet meer met haar leven, omdat hij nooit van haar gehouden had. Alle ooit bedachte scenario’s spuugde ze er uit, hem met grote ogen, maar een lege blik op de bank voor haar. In die lege blik vond ze haar bewijs. En toen kwam het wapen. Ze richtte, bedacht zich geen moment en schoot. Zijn rechterhand gleed uit zijn jaszak en uit zijn hand rolde een mooi blauw glanzend doosje. Ze pakte het voorzichtig op, opende het en zag een ring. Ze lachte schamper en keek hem vol haat aan.

Alsof ze ooit nog met hem had willen trouwen. Waanzin.


Meer columns lezen? Klik in het linkermenu naar columns over auto's, mijn kinderen of overige columns.