Columns auto


Mijn spinnetje part deux

 

Het is nu echt herfst aan het worden. Glinsterend asfalt door de gevallen regen en een laagstaande zon. Een perfecte combinatie. Gegarandeerd kans op ongelukken in het verkeer. En natuurlijk mijn zonnebril vergeten, dus knijpend met mijn ogen tegen de zonnestralen die een week geleden nog maar de aarde op deden warmen tot heerlijke temperaturen waardoor een terrasje pakken heel goed mogelijk was. Maar met de temperaturen van vandaag huiver ik al bij de gedachte alleen.

 

Zonneklep naar beneden en jawel hoor, de schrik van mijn leven als er iets naar beneden valt vanachter de klep vandaan. Op mijn schoot ligt een zielig hoopje dat zich in een levende vorm ooit spinnetje mocht noemen. Al eerder heb ik geschreven over mijn spinnetje. Klik naar columns over auto's om dat stukje te lezen. En nu is hij terug. Nou ja, terug. Het spinnetje is er weer. Dood dan wel, maar toch.

 

Eigenlijk ben ik al lang blij dat ik kan ontwaren dat het levenloze hoopje ooit spinnetje geweest is. Ik ben een stadsmeisje en de natuur heeft nog steeds veel geheimen voor me. Zo vertelde mijn dochter me wijselijk dat een spin geen insect is. Nee, echt niet, verzekerde ze mij. Want een spin heeft acht poten en insecten hebben er maar zes. Ik peins en probeer de les biologie voor de geest te halen waarin me dat medegedeeld is. Maar het blijft blanco in mijn gedachten. Duh, mam, dat je dat niet weet. Zes jaar. Dus.

 

Bij het uitstappen valt het spinnetje op de grond in een grote plas met water. Zijn graf. Het is niet anders. Dat is de natuur. Hoewel, natuur. De natuur zal nooit bedacht hebben dat een levend wezen zijn laatste adem uitblaast (doen spinnen dat überhaupt, ademen?!) in een auto. Gemotoriseerd vervoer. Niet echt natuur. De druppels beginnen weer te vallen, dikke druppels. Langzaam en behoedzaam. Het graf van mijn spinnetje vult zich verder met water. Dit is dan het afscheid. Officieel en definitief. Het is herfst. Ook voor mijn spinnetje.



Ti amo. Così tanto.

"Ja, hij is te klein, maar hij is wel erg mooi," en "Ja, eigenlijk is hij te duur, maar het is wél een Alfa." Ik hoor het mezelf nog zeggen, bij het bewonderen - want dat is de juiste benaming voor wat ik aam het doen was, ik keek niet, nee, ik bewonderde - van de reclame voor de Alfa Romeo MiTo.

Kek karretje, maar: te klein en te duur. En kent ongetwijfeld typische Alfa-gebreken. Waarom praat ik het dan goed? Waarom bewonder ik deze auto alsof het een technisch hoogstandje is, voldoende ruimte heeft voor mijn drie kinderen en nog uiterst betaalbaar ook.

Als ik terugkijk op het wagenpark dat ik ooit in mijn bezit heb gehad, blijkt dat ik niet echt merkentrouw ben geweest. Frans, Italiaans, Duits, Amerikaans. Vele merken heb ik de mijne mogen noemen. Maar geen enkele auto heeft mij zo veel gedaan als mijn Alfa 33.

Ik krijg het na al die jaren nog steeds warm als ik aan die auto denk. En ook hierbij vele kanttekeningen. De benzinemeter werkte niet, maar ach, ik had toch een dagteller? En er zaten toch ook wel wat plekjes roest, maar ach, hij kwam toch door de APK? En de mooiste: wat was toch dat kraakje, dat elk ritje uit een andere hoek vandaan leek te komen? Geeft niet, dat is juist de charme. Charme?! Ieder weldenkend mens zou horendol worden van dat ding, maar ik? Ik was verliefd.


Mijn Italiaanse raspaard vertoonde dan misschien onvolkomenheden, maar ik kon er mee leven. Is dat niet juist echte liefde? 'Ik hou van je' klinkt in geen enkele taal mooier en zangeriger dan in het Italiaans.

Als ik mijmerend over mijn grote autoliefde naar een ander kanaal zap, komt juist ook daar weer de reclame van de MiTo voorbij. Ik zucht. Yep. Met al zijn onvolkomenheden zingt er slechts één zinnetje door mijn hoofd. Ti amo. Così tanto.



Sarcastisch bord

Natuurlijk, ik ben weer eens aan de late kant voor een afspraak (lees: ik heb nog tien minuten en de rit ernaartoe is - zonder verkeersovertredingen - ongeveer een half uur rijden). Gehaast stap ik in en sla met mijn been nog buiten de auto het portier alvast dicht. Verkeerde volgorde, daar word ik me pijnlijk van bewust. Ja, het is zó'n dag...

Uiteraard heb ik álle verkeerslichten tegen, zit er een brede tractor voor me die maar niet links of rechts af wil slaan en waar ik met geen mogelijkheid voorbij kan én vertelt een oranje lampje me dat ik toch écht moet tanken (want hoe lang brandt dat ding eigenlijk al?!).

Ik bel niet-handsfree naar mijn afspraak om alvast mijn excuses te maken en terwijl de telefoon overgaat, zie ik in mijn spiegel ineens een witte auto met blauwe en oranje strepen opdoemen. Great. Ik zoek op de tast mijn 'Gesprek beëindigen'-knop en wacht tot de kust veilig is. Vijf lange minuten later probeer ik het nog eens.

Gelukkig, ook mijn afspraak is later. Alles zit ook daar tegen en hij stond net op het punt om mij te bellen om me te vragen of het een half uurtje later mag. We kunnen elkaar de hand geven. Ook weer geregeld.

Ruim twee uur later zit ik ontspannen in de auto. De radio blèrt lekker door de speakers en ik heb mijn raam een stukje open. Alles wat ik wilde bespreken, is besproken. Alles wat geregeld moest worden, staat in de steigers. Mijn rechtervoet geeft iets meer gas dan toegestaan en het leven lacht me weer toe.

Eenmaal terug in het dorp valt mijn oog op een digitaal snelheidsbord dat me vertelt hoe hard ik rijd. Op de één of andere manier krijg ik bij het zien van zo'n meetopstelling altijd de neiging om nét even harder te rijden dan is toegestaan, al was het alleen maar om het bord helemaal over de zeik te helpen. Dan veranderen de cijfertjes van geel naar rood en gaat het hele ding knipperen om me er maar op te wijzen dat ik mijn snelheid moet aanpassen. Hahaha, het is een sport op zich.

Zo werd ik een tijdje terug staande gehouden door de politie. Routinevraag van Oom Agent of ik gedronken had. Daarna zijn blik op mijn duidelijk zwangere buik en de blik in zijn ogen die vrijwel direct veranderde. Mijn antwoord: "ja meneer, ik heb gedronken." Zijn blik veranderde direct naar een groot vraagteken, maar voordat hij nog een vraag kon stellen, kwam er uit mijn mond "twee cola". Heerlijk om met het gezag te spelen.

Ik geef nu nog wat meer gas om het apparaat over de zeik te helpen en zoals verwacht, veranderen de gele cijfers in een rood knipperende waarschuwing. Ik lach. Gelukt.

En dan verschijnt eronder, totaal onverwachts, ineens een mededeling: "U rijdt te snel. Dank u."

Verbouwereerd laat ik mijn gas direct los. Een sarcastische meetopstelling. Ja hallo, dáár kan ik niet tegenop...

 

Mijn spinnetje

De winter begint langzaam plaats te maken voor een sprankje hoop op de lente met een fel zonnetje en temperaturen die net boven het vriespunt liggen. Na een flauwe bocht schijnt de koperen ploert me recht in mijn gezicht en ik klap snel mijn zonneklep naar beneden. Had ik beter niet kunnen doen. Met mijn blik op de weg ver voor me gericht, is alles wat dichtbij is, megagroot. Zo ook het spinnetje dat zich gestoord voelt in zijn winter(?)slaap achter mijn zonneklep. Hij valt een centimeter of 20 naar beneden en bungelt aan een draadje. Precies in mijn gezichtsveld. Ik schrik me de tandjes van deze plotselinge ontmoeting en mijn hart maakt overuren in mijn keel. Achteraf blijkt het spinnetje nog geen halve centimeter in doorsnee maar de schrik is er niet minder om.

Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om dit levende wezentje in deze kou uit mijn auto te zetten en terwijl mijn hartslag weer normalere vormen aanneemt, zie ik hem rustig weer zijn plekje opzoeken.

Een week later herhaalt het hele tafereel zich. Omdat ik het niet meer verwachtte, is het ook de volgende keer met het bedienen van mijn zonneklep weer raak. Dit keer zit ik in een bocht, terwijl in nog nét door het oranje verkeerslicht raas. Met mijn gedachten niet direct bij het spinnetje, schrik ik opnieuw als hij zich laat vallen.

Zo gebeurt het nog een aantal malen, maar we beginnen langzaam aan elkaar te wennen. Ik gedoog dat hij mij laat schrikken en andersom gedoogt hij mij dat ik keer op keer zijn slaapplek verander. We hebben het goed zo, samen in de auto.

Gek genoeg ben ik teleurgesteld als ik op een dag weer tegen de zon in rijd, mijn zonneklep rustig (ja, dat had ik wel geleerd) naar beneden doe en 'mijn' spinnetje zich niet laat zien. Nader onderzoek op de plaats van bestemming levert niets op. Mijn spinnetje is verdwenen. Ik troost me met de gedachte dat hij vast een rustiger plekje heeft gevonden, maar elke keer als ik de klep naar beneden beweeg, denk ik terug aan ons beider gedoogbeleid. Inwendig moet ik grinniken als ik tóch weer kijk of hij er weer zit.

Op de snelweg in de file valt mijn oog op een Hyundai i20 met uit het bestuurdersraam een wapperend stuk karton. Als ik naderbij kom, zie ik een van angst vertrokken gezicht van de bestuurster die door een ieniemienie klein stukje open raam met witte vingers het kartonnetje vasthoudt en daar - zo goed en zo kwaad als het gaat - driftig mee wappert. Op het uiteinde van het karton zit volhardend een klein spinnetje. Ik moet lachen om het hele schouwspel en kan maar één ding denken: "Meisje toch, je zal hem nog gaan missen."

 

Rijopleiding

Is het niet zo dat de meesten uren hebben gezwoegd om het felbegeerde roze papiertje te bemachtigen? En komen dan niet ook alle fatsoensnormen in het verkeer voorbij? Blijkbaar worden die samen met het bonnetje van het rijbewijs nog in het Gemeentehuis in de prullenbak gesodemieterd.

Okee, het is druk op de weg. Megadruk. Ik doe al een kwartier over een stukje van pak-hem-beet 50 meter. Als het niet minder is. Voor me een Renault Magnum, alleen de trekker welteverstaan. Bij het kruipend optrekken door de sliert voertuigen die de volgende afslag rechts moeten hebben, komt links langszij een Renault Laguna uit de jaren 90 vol in de toerenbegrenzer van de eerste versnelling.

Het jongetje achter het stuur, net drie turven hoog, petje scheef op de kop, gouden oorbel links èn rechts, een sigaret bungelend in zijn rechtermondhoek en in een zithouding waarvan ik me sterk afvraag of er iemand is die zo aan het verkeer kan deelnemen op veilige wijze, geeft ineens een ruk aan zijn stuur en plant zijn Laguna pal vóór de rustig optrekkende vrachtwagen, die prompt vol in de ankers moet. Het rijtje staat weer stil. “Wat is hij er nu mee opgeschoten?” flitst het door mijn gedachten heen. Afgezien van die twee autolengtes winst en een ongetwijfeld gefrustreerde vrachtwagenchauffeur dan? Net het rijbewijs op zak en nu al alle normen over boord..

De file kruipt ondertussen verder. Op de radio klinkt de file-informatie. Tien kilometer stilstaand maar liefst en twee rijstroken afgesloten. De reden? Een ongeval met een vrachtwagen. Ik hoor dat te vaak. De grote, logge bakbeesten maken dan ook meteen zo'n zooitje van de weg. De filelezer maakt een foutje: "door de afgesloten rijstroken is er een rij-opleiding ingesteld".

Langzaam kruipt de file richting het ongeval. Ik zit nog wat inwendig te mopperen als ik even verderop de misère zie. Een vrachtwagen met niet al te veel schade. Vlak ervoor staat scheef op de weg een Citroën Xsara met 20 inch lichtmetaal en uitgeklopte wielkasten. Verder standaard, op de zwartgetinte ramen na. Ik wed dat er in het vooronder niet meer dan 1400 cc te tellen is. Naast de auto staat de opgefokte bestuurder. Een jochie van een jaar of 18, petje scheef op de kop en wel drie gouden oorbellen... Met de inhaalactie van de Laguna nog op mijn netvlies, kan me indenken hoe dit fout gegaan is. En wij maar met zijn allen de vrachtwagens de schuld geven. Misschien is die rij-opleiding wel niet zo'n slecht idee bij dit soort ongevallen...

 

Dixi: ik heb gesproken

Met een muziekje door de speakers en mijn gedachten bij alles wat ik vandaag nog wil doen, rijd ik vrij achteloos de bocht om en moet dan bovenop mijn rem. Als uit het niets begint een vrachtautootje deel te nemen aan het verkeer. Alsof hij de grootste en sterkste is, stuitert het gevaarte langzaam van de stoep af. De twee bruine Dixi’s die achterop staan, wiebelen vervaarlijk heen en weer. Toch maar even de ruimte geven. Hij mag dan misschien wel groter en sterker zijn, vooral het idee dat ik de inhoud van zo’n poepdoos over mijn pas gewassen auto krijg, weerhoudt me ervan om mijn voorrang op te eisen.

Bij ieder drempeltje lijkt het alsof het vrachtautootje zijn lading kan verliezen. Gepaste afstand dus. En ik kan de gedachte niet onderdrukken dat ik dit plaatje al eens eerder gezien heb. Waar en hoe precies kan ik me zo even niet voor de geest halen, dus ik knijp mijn ogen wat toe en kijk door mijn wimpers. We rijden niet harder dan 20 km/h dus dat kleine beetje afleiding moet best kunnen, dacht ik zo. Het beeld wordt er niet fraaier op. Een wiegend voertuig, groot, log en… bruin. Hmmm, echt, er zit ergens in mijn brein een beeld opgeslagen dat hier heel sterk op lijkt. Maar ik kan er niet bij.

Twee straten en ongeveer een kwartier verder kruipt het vrachtautootje linksaf de bocht om. Een bruggetje over. De gewichtsverplaatsing zorgt ervoor dat ik mijn adem inhoud. Eindelijk, hij is over de brug heen en ik kan mijn weg vervolgen. Met een nog steeds schone auto. Je zal het maar moeten vervoeren, lijkt me geen pretje. Thuis start ik mijn computer op en browse naar wat autonieuws, klik door een aantal artikelen en dan ineens verstijf ik bij een beeld van een SsangYong. Een bruine.


Ik herinner me ineens weer dat ik een aantal jaren geleden achter het logge gevaarte, dat zich Rodius mag noemen, aanreed. Hoewel smaken verschillen, heb ik tot nu toe nog niemand kunnen vinden die de achterzijde van dit gedrocht als mooi of zelfs gaat wel zou bestempelen. In de kleine straatjes van het prachtige Baarle-Nassau kwam de Rodius over als een olifant in een porceleinkast. Herstel, een lelijke olifant in een porceleinkast. Bij ieder hobbeltje gaf de vering te kennen dat het daarmee niet in zijn sas was. Met een beetje fantasie kon je de inzittenden zien opveren uit hun zittingen. Het klinkerweggetje was geen favoriet. Duidelijk.

Maar toen kwam de drempel. Nog even gauw voor een naderende auto langs linksaf het woonerf op. Het motorgeluid zwol aan, maar het gevaarte kwam nauwelijks van zijn plek. Toen ineens pakte de aandrijving het vermogen op en de auto sprong vooruit. Bovenop de drempel. Ik hield mijn adem in. Het leek alsof de SsangYong ieder moment kon omvallen. De inzittenden leek het niets te doen. Hoe kun je nu wennen aan dit gebrek aan comfort?!

Ik wist instinctief dat ik dit beeld van het wiebelende gedrocht dat over de drempel van mijn netvlies verdween, waarschijnlijk nooit zou vergeten. Ik had alleen nooit gedacht dat de associatie zou komen bij een verkeerd beladen vrachtautootje met achterop twee schijthuizen. Toch had het niet passender kunnen zijn. En eigenlijk is daar ook alles wel mee gezegd. Dixi.

 

 

 

Voorgevoel

Op de eerste zonnige lentedag van het jaar begeef ik mij op de weg. Geen slechte keuze, want afgezien van het heerlijke weer dat zich door mijn voorruit en zonnebril heen mijn hersens in boort, is er vooral ook veel moois te bewonderen. Motoren die voorzichtig hun eerste meters buiten maken na een veel te lange winterstop, gezinnen met uitgelaten kinderen op weg naar een uitje, eindelijk weer eens buiten, en oldtimers. Veel oldtimers. Na alle koude die ze getrotseerd hebben onder een waarschijnlijk warme deken, mogen ze weer.

Ik rijd een stuk op met een felrode Kever uit 1974. Een echte. Niet zo’n nepperd die ze per ongeluk New Beetle hebben gedoopt bij VW en waarvan misschien, als je met je ogen knijpt, heel in de verte iets terug te vinden is van de historie van ‘der Käfer’, nee, een echte. Tot in de puntjes verzorgd, gerestaureerd en bijgehouden. Er wordt wel gas gegeven, maar hee, waarom ook niet?! Het mag weer. En als de techniek in goede staat is, kan hij best een stootje hebben. De Kever was niet voor niets dé auto van het ‘gewone’ volk.

Als ik iets dichter bij kom, ben ik toch wel benieuwd wat er zich achter het stuur heeft genesteld. Ik zie voor me dat er een heer op leeftijd in zit, met een grote glimlach, omdat hij zijn grote liefde, die hij door de jaren heen beetje bij beetje zelf tot volle wasdom heeft laten opgroeien, weer uit mag laten. Verenigd door het prachtige lenteweer genieten ze samen van dit ritje. Ik zie voor me dat de heer in kwestie netjes gekleed is, maar niet oubollig. Dat hij wat grijzend is rond de slapen, maar met een uitstraling dat zijn jeugdig enthousiasme verraadt. Geen jas, nee, hij is zo ingestapt. Een bemoedigend klopje op het stuur, waarna hij de sleutel omgedraaid heeft, hopend dat de motor gehoor geeft aan zijn wens om een stukje te gaan toeren, toch een stukje spanning “zou hij wel, of zou hij niet” en vanaf het moment dat de motor aanslaat, een dikke glimlach van oor tot oor.

Ik kom langszij en zie tot mijn verbazing dat er van mijn voorgevoel bar weinig klopt. Een jonge gozer, zo uit een reclame van State of Art Menswear zit met een ietwat verveeld gezicht achter het stuur. Zijn korte, blonde haren zijn in een soort platgeslagen hanenkam half over zijn gezicht gedrapeerd. Een typische out-of-bedlook die minstens een half uur styling nodig gehad heeft. Want zo perfect out-of-bed zit het natuurlijk nooit als je net je bed uit stapt. Laten we eerlijk zijn.

De jongeman in kwestie kijkt niet om zich heen, maar is bezig om van A naar B te komen. Het is zo totaal niet wat ik in gedachten had. Verbaasd passeer ik de Kever, die misschien wel gas geeft, maar die toch niet veel harder rijdt dan 85 km/h. En ik ben in mijn Ford wél echt van A naar B op weg. Genietend van de zon door mijn voorruit, dat wel natuurlijk.

In het dorp draai ik de doorgaande weg op richting mijn huis en ik ben er nog steeds wat beduusd van dat ik er zo naast heb gezeten. Laat mijn gevoel me nu echt in de steek? Is zo’n prachtig gerestaureerde oldtimer tegenwoordig een vervoersmiddel voor de eerste de beste yup geworden? Ik mijmer nog wat verder als ik in mijn binnenspiegel ineens de felrode Kever achter mij aan zie komen. Hij geeft wederom flink wat gas en tot mijn verbazing rijdt hij achter mij aan het woonerf op. Mijn nieuwsgierigheid wordt weer wat aangewakkerd als hij zijn auto stilzet langs de kant van de weg. Ik besluit snel te parkeren en terug te lopen om te zien wat er nu staat te gebeuren.

En dan gebeurt het. Uit één van de woningen stapt een keurig geklede man, niet oubollig, maar keurig, naar buiten, zijn haren iets grijzend bij de slapen, met een grote glimlach om zijn mond en zijn hand uitgestoken naar voren. De jongeman laat schijnbaar achteloos de sleutels in zijn uitgestoken hand vallen, zegt alleen maar: “Ja, rijdt best lekker hoor, pap” en verdwijnt door de open deur naar binnen.

De eigenaar van de Kever kijkt zijn zoon hoofdschuddend na, draait dan zijn blik weer naar zijn grote liefde en zijn glimlach verschijnt weer. Met vastberaden stappen loopt hij op zijn felrode Kever af, neemt plaats achter het stuur en geeft een bemoedigend klopje op het stuur voor hij het contact omdraait. Met het aanslaan van de motor wordt zijn glimlach breder en hij keert met alle liefde en voorzichtigheid zijn Oldtimer om zelf te gaan genieten van een prachtig stukje weg. Dus toch…

 

 

 

Terug naar Column van de Week? Klik hier!