Columns overig

 

Fijn hoor, herfst

Net als ik mijn auto op slot heb gedraaid, gaat het wolkendek open en valt de regen met dikke druppels naar beneden. Niet een paar, nee, in de vijftig meter die ik noodgedwongen naar huis ren op mijn hakken, raak ik volledig doorweekt. Bij het tot stilstand komen, glij ik nog net niet uit over de gele blaadjes die zich in een hoopje voor mijn deur hebben verzameld. Mijn schoenen worden er niet droger op, hoe driftig ik ze ook probeer af te vegen op de droogloopmat, die zijn naam nou niet bepaald eer aan doet. Mijn jas aan de kapstok wasemt zijn vocht de ruimte in. Fijn hoor, herfst.

Ik geef de verwarming met een druk op de knop opdracht om mijn huis te verwarmen en zet de waterkoker aan. Ik steek een paar waxinelichtjes-met-vanillegeur op mijn dressoir aan en kruip niet veel later met een dekentje om me heen op de bank. Even opwarmen. Een warme kop thee in mijn handen om mijn door-en-door koude lijf van binnen op te warmen. Een eenzame druppel regenwater die vanuit mijn natte haren over mijn voorhoofd naar beneden rolt, veeg ik af met de rug van mijn hand.

Buiten zwiepen de takken en ze lijken zich op die manier te willen ontdoen van de blaadjes die ongemerkt zijn overgegaan naar prachtige herfstkleuren. Op het schoolplein waar ik op uitkijk, spelen kinderen. Ondanks de regen hebben ze de grootste lol. Of misschien juist wel dankzij de regen, want ze springen van plas naar plas om het water zo hoog mogelijk op te doen spatten. Een juf komt aangesneld en spreekt de kinderen toe, waarna ze naar binnen verdwijnen, het warme schoolgebouw in.

Mijn woonkamer vult zich met de geur van de herfst. Of althans, zoals ik de herfst ervaar. Vanille, warmte, de geur van kaneelthee en ergens in de verte een vleugje verse was. Mijn ingrediënten voor de herfst. Ik zit veilig en warm binnen. Ook al komt er een moment van besef dat de zomer echt voorbij is, toch heeft de herfst zoveel moois te bieden.

De herfst. Een nieuw seizoen. Met haar eigen schoonheid. Blaadjes op de weg, laagstaande zon, vertraging op het spoor, files, welhaast onophoudelijke regen, inzettende winterkou, screw you. Ik kruip nog wat meer in mijn bank en glimlach. Ik zie het glas liever halfvol. Fijn hoor, herfst.

Dolfijnenjacht

Ontzet kijk ik naar de beelden van de dolfijnenjacht in Japan bij Koffietijd op RTL4. Loretta Schrijver kan er al dagen niet van slapen en ik kan me bij het zien van de beelden levendig voorstellen waarom niet. Wat een vreselijke, gruwelijke, maar vooral onnodige, afslachting van deze prachtige dieren. Mijn maag draait om en ik kan mijn ontbijt maar ternauwernood binnen houden.

Ik was zestien jaar en ik wilde een tatoeage. Tegen de wil van mijn ouders in uiteraard. Maar voor mij stond het vast dat een onuitwisbaar plaatje mijn lichaam zou sieren. Mijn keuze viel al snel op een dolfijn. Een prachtig dier, intelligent, zo vrij als een spreekwoordelijke vogel en sociaal. Een dolfijn laat zijn soortgenoten nooit in de steek en maakt altijd deel uit van een groep. Ik kon me er wel mee identificeren en de tatoeage was een feit. Met trots draag ik het plaatje al bijna zestien jaar mee op mijn lichaam. Deze dolfijn zwemt nooit meer weg.

Wat is het dan vreselijk om te constateren dat er voor de kust van Japan ieder jaar vanaf september tot maart duizenden dolfijnen worden afgeslacht. Ik had er geen weet van en ik kijk vol afschuw naar de beelden. Mijn dochter van vijftien weken ligt rustig op mijn schoot en hoewel ze nog geen besef heeft van de beelden die de televisie mijn woonkamer in spuugt, zorg ik er wel voor dat ze ze niet kan zien. Ze is nog te jong om te maken te krijgen met de harde wereld waarin onschuldige dolfijnen worden afgeslacht voor het geld. De wereld moet nog mooi zijn op die leeftijd. Ze moet opgroeien met de gedachte dat mensen lief zijn en dieren met rust gelaten worden. De harde realiteit komt wel als ze er mee om kan gaan. Nu nog even niet.

De dolfijnenjacht. Volgens de Japanners bedreigen de dolfijnen de visstand. Er is een (te grote) vraag vanuit de entertainment industrie naar dolfijnen. Om ze kunstjes te laten doen ter vermaak van het publiek, dat dommig op de tribunes zijn handen op elkaar slaat. Om er mee te kunnen zwemmen in gevangenschap. Om er naar te kijken in de bassins van de verschillende dolfinaria. Een beetje dolfijn (lees: een perfect uitziend exemplaar van het vrouwelijk geslacht) brengt al gauw een slordige € 150.000 op. Lucratief handeltje, ik kan niet anders zeggen. Maar waarom moet de rest dan worden afgemaakt op brute wijze?

Tijdens de jacht steken de jagers stalen speren in het water en slaan daar op, zodat de sonar van de dolfijnen ontregeld wordt. Vervolgens, als de dolfijnen in blinde paniek alle kanten opzwemmen, waarbij de één na de ander gewond raakt en verdrinkt, worden ze het strand op gedreven. Daar wacht ze een kille dood door het dringen van een speer in de ruggengraat en het dichthouden van het spuitgat. Sommige zijn nog niet dood als ze terugglijden de zee in, maar door hun verwondingen zal het met deze dieren niet lang goed gaan.

De dode dieren worden verkocht als consumptie. Lang niet zo lucratief als de dolfijnen die voor veel geld aan de entertainmentindustrie verkocht worden, maar een goede ‘bijvangst’. Dolfijnenvlees, ik moet er niet aan denken.

Het werpt een ander licht op de dolfinaria. En ik besluit dat ik daar nooit een voet naar binnen zal zetten. Mijn dochter zal misschien later vragen waarom niet en wellicht dat ze dan oud genoeg is om de harde waarheid te horen. Wat er gebeurt voordat de dieren in gevangenschap het klapvee kunnen entertainen. Ik pak mijn dochter op en kijk haar ernstig aan. Ze laat een boertje als teken dat het eten haar gesmaakt heeft en ze lacht breeduit naar me. Ongecompliceerd en vrolijk. Waarom zit de wereld niet altijd zo in elkaar?!



Parijs. Je t'aime, d'amour

In haar hotelkamer heerst een serene rust. Na een lange, hete douche hangen haar natte haren sluik langs haar gezicht. Ze dept haar haren langzaam droog, terwijl ze haar gedachten laat gaan over hoe ze vandaag haar dag zal indelen.

 

Als ze de gordijnen opent, komt er een koel briesje door het raam naar binnen, dat de hele nacht op een comfortabel kiertje heeft gestaan. Ze ademt de geuren van de stad in en zet het raam verder open.

 

Leunend tegen het Franse balkonnetje, geniet ze van de geluiden die langzaam hun weg vinden naar haar bewustzijn. Door het open raam hoort ze de gesprekken die deze wereldstad voert met haar inwoners. De geluiden van langsrijdend verkeer in de naastgelegen straat, in de verte de sirene van een hulpdienstvoertuig, het geroezemoes van een aantal toeristen die onder haar raam voorbij lopen, druk gebarend op een metrokaart en zoekend in de verte naar een aanknopingspunt om de weg verder te kunnen vinden.

 

Ze hebben geen idee dat ze bekeken worden vanaf de derde verdieping door iemand die jaren geleden ook op die manier haar weg probeerde te vinden in deze enorme stad met meer dan twee miljoen inwoners. Nu weet ze beter; feilloos weet ze welke metro ze moet nemen om precies daar uit te komen waar ze zijn wil. En zelfs de kleinere eettentjes, die vaak stukken gezelliger zijn dan de grote toeristische trekpleisters op de bekende pleinen en aan de wereldberoemde avenues.

Parijs, ze voelt zich er thuis. Ze wil het liefste nooit meer weg en zucht bij de gedachte dat ook deze reis een einde kent, waarna ze weer terug zal keren naar haar hectische leven in Nederland.

Met gesloten ogen ademt ze nog eenmaal een diepe teug Parijse lucht in en dan sluit ze het raam. Op haar mobiele telefoon geen gemiste oproepen, alleen de sms die haar welkom heet in Frankrijk. Ze grinnikt onwillekeurig bij de gedachte dat ze zich zelfs méér dan welkom voelt op deze plek. Ze houdt van Parijs. Zoals Patrick Bruel al zong: “Paris, je t’aime d’amour

 

Ze bindt haar haren in een vluchtige knot waar links en rechts wat plukjes uit steken en grist haar tas van het bed. Geen tijd te verliezen, nog maar een paar uur te gaan. Ze neemt de trap en stuitert er in haar haast bijna van af. Metropolitain Brochant is zo gevonden. Ze kijkt niet eens meer op de borden; ze weet waar ze is en waar ze heen wil. Het ondergrondse leven heeft, afgezien van de bedelaars die er een wedstrijd van lijken te hebben gemaakt om zo zielig mogelijk over te komen, een bepaalde charme, zo zonder daglicht en een geur die voor buitenstaanders niet te omschrijven is.

Metrolijn 13 richting Chatillon voert haar naar Montparnasse-Bienvenue, waar ze overstapt op lijn 4 richting Porte de Clignancourt. Zes haltes verder is ze op de plaats van bestemming bij bij Metropolitain Cité loopt ze de buitenlucht weer tegemoet.

 

De Notre Dame is haar favoriete plekje, samen met de Tuileries, de tuinen tussen het Louvre en het Place de la Concorde. Op het plein voor de imposante kerk kan ze uren zitten en kijken naar alle mensen die voorbij komen. Er is slechts één straat die langs het plein voert, maar dat is geen doorgaande weg, waardoor het er altijd relatief rustig is. Maar de rust is er niet, nu ze bijna weer naar huis gaat.

 

Ze besluit de metro te laten voor wat het is en te lopen naar de Tuileries. Over de Pont Neuf steekt ze de Seine over en loopt onder het Louvre de binnenplaats op. Niet te geloven dat dit gebouw er al meer dan drie eeuwen staat. Jammer alleen van de piramides die duidelijk afbreuk doen aan het aangezicht van dit grote museum.

 

Bij het uitlopen van de Tuileries breekt de zon door en schijnt fel in haar gezicht. Met een glimlach pakt ze de metro bij Concorde naar Chatelet waar ze overstapt op lijn 4 naar Gare du Nord. Vandaaruit zal ze met de trein terugreizen naar Nederland. Op het perron neuriet ze het liedje van Patrick Bruel, terwijl ze staat te wachten op de trein die haar terug zal brengen naar Nederland en zijn woorden zijn méér dan waar: “Ô mon Paris, ville idéale, qu’il faut quitter dès ce soir. Adieu, ma belle capitale, Adieu, non… AU REVOIR!



Heel apart gevoel van binnen

In het pikkedonker loop ik mijn huis binnen nadat we thuis zijn gekomen van een ontspannen weekendje in Frankrijk. Op de mat struikel ik bijna over de post. Een pakketje. Hmmm ik heb niets besteld, dacht ik, en ik irriteer me aan het poststuk dat mij bijna om doet vallen.

Julia pakt het op en brengt het achter mij aan naar boven. Als de kleine Amylee vredig doorslaapt in de box, bekijk ik het pakje. Mijn hart slaat een slag over en ik houd mijn adem in. Op de voorzijde ontwaar ik het logo van mijn uitgever. Mijn boek is gearriveerd. Met trillende handen draai ik het stuk door mijn handen heen. Iets in me wil de verpakking er af scheuren, maar iets anders houdt mijn grijpgrage klauwen in bedwang. Dit is een speciaal moment. Mijn eerste boek. Daar moet ik even bij stil staan.

Ik roep Julia en Valérie bij me, zodat zij getuige kunnen zijn van dit heuglijke moment. Het wachten is op manlief, die er een eeuwigheid over lijkt te doen om de auto te parkeren. De trilling in mijn handen wordt er niet minder op.

Dan de sleutel in het slot. Eindelijk. Voetstappen op de trap. Ik zit verwachtingsvol naar de keukendeur te kijken en houd zwijgend het pakketje omhoog. Na een moment van stilte verschijnt er een glimlach om zijn mond en zijn wenkbrauwen gaan omhoog: "Oh. Je boek." Ook hij is er stil van. Ik aai de verpakking liefdevol. Julia en Valérie mogen het openen en dan glijdt onder vier verwachtingsvolle blikken mijn boek in mijn handen.

Het is er. Ik ben overdonderd door het gevoel dat zich nu van me meester maakt. Emotie, trots, blijheid. Als ik het zou moeten beschrijven, komt het gevoel nog het meest in de buurt van het ontvangen van mijn eerste schoolrapport. Of mijn zwemdiploma. Je weet dat je er hard voor hebt gewerkt, je weet dat dit loon naar werken is. Je weet dat het er aan zit te komen. En toch. Het gevoel is onverwacht zo positief.

Hier heb ik het voor gedaan. Voor dit moment heb ik gezwoegd, geredigeerd, gelezen en verbeterd. Coverfoto uitgezocht, tekst op de achterflap geschreven, digitale proeven doorgeworsteld.

En nu. Het is er. Mijn boek. Met mijn naam op de kaft. Een memorabel moment. Ik vergeet dit mijn leven lang niet meer. Net als mijn eerste schoolrapport. Mijn zwemdiploma. Dit pakt niemand mij meer af. Ik heb het gehaald.

Ik ben er stil van. Ik, ja. Stil. Wie had dat gedacht?!

 

Stemmen

Meestal bekijk ik ‘s ochtends wel even mijn mail tijdens het naar binnen lepelen van een bakje cornflakes. Maar deze ochtend is hectisch. Verslapen. Veel te laat gaat mijn systeem aan. Toch even op mijn telefoon door mijn mail heen scrollen. En mijn oog valt op een bericht van een vrouwennetwerk, waarin Vreneli Stadelmaier mij – de lezer – oproept om vandaag toch vooral op een vrouw te stemmen. Direct bekruipt me een gevoel van “toch belachelijk dat daarvoor wordt opgeroepen”. Maar als ik mijn ogen vluchtig over de tekst laat gaan, moet ik haar toch gelijk geven. Vrouwen hebben door de jaren heen steeds meer rechten gekregen – naast het aanrecht uiteraard – behalve in de top van het bedrijfsleven. Ik ben het levende bewijs. Al twee keer heb ik te horen gekregen dat een bedrijf “niet klaar is voor een vrouw aan de top”.

De afgelopen dagen in de verschillende debatten in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen, heb ik overwegend mannen mijn televisiebeeld zien vullen. Waar zijn toch de vrouwen? Jolande Sap en Marianne Thieme daargelaten dan, maar ik heb niet de illusie dat juist zij het verschil voor Nederland kunnen maken. Sorry.

In de wedren naar de verkiezingen van vandaag heb ik veelvuldig gekeken en geluisterd naar alle partijen. Standpunten, overeenkomsten, verschillen en ja, ook naar de wanhopige pogingen om al vóór de verkiezingsdag een coalitie te smeden. Mijn keuze lag al snel vast en werd door alle commotie over de sociale netwerken alleen maar sterker. Maar toch ook nog even de Stemwijzer ingevuld. Natuurlijk kwam mijn keuze daar als beste uit, ik had niet anders verwacht, maar toch, zó met kop en schouders boven de rest uit om mijn belangen te behartigen en mijn normen en waarden te vertegenwoordigen, dat had ik niet verwacht.

Op de verkiezingsdag zelf breng ik mijn kinderen naar school, waar ook een Stemlokaal is gevestigd. Als ze in de klas zitten, sluit ik gedwee aan achter in de lange rij die voor de stemhokjes staat. De zon schijnt, het is een heerlijke dag, de school die normaal gesproken gevuld is met kinderstemmen en hier en daar uitbundig gegil, is doodstil. In het gymlokaal ook niets dan angstvallige stilte. Hoezo? Je wordt geacht om met een rood potlood een rondje in te kleuren. Niets meer en niets minder. Moeten we daar zo stil voor zijn? Zijn er werkelijk mensen die uit hun concentratie gebracht worden als er hardop gepraat wordt? Zou iemand er wat van zeggen als je je mond open doet voor een gesprek? Laat me niet lachen. Dit is geen geheim. Het is een recht. Het recht om te stemmen. En ik stem. Oh ja. Als ik het uiteindelijk niet eens ben met waar het heen gaat in Nederland, dan heb ik er in ieder geval alles aan gedaan.

Met het rode potlood in mijn handen en het uitgevouwen stuk papier voor mijn neus, bekruipt me een moment van twijfel. Met het inkleuren van een enkel rondje is het bestuur van ons land in tijden van crisis compleet uit mijn handen. Dan is het aan de heren in Den Haag om het landsbelang zo goed mogelijk te behartigen. De heren. Tja, matter of speech? Of is het werkelijk zo dat de mannen de macht in handen hebben? Het lijkt er op. Mijn twijfel is ineens weg als ik denk aan dat ene mailtje dat ik vanochtend met een half oog heb bekeken. En ik stem. Op de nummer twee. Ja, een vrouw.